Dienstverlening braille onderzocht
Onderzoek naar tevredenheid braillelezers april 2006In een speciale bijlage van de NLBB-Nieuwsbrief van april 2006 kregen de braillelezers van de Nederlandse Luister- en Braillebibliotheek het verzoek te reageren op de Beleidsbrief van het Ministerie van OCW. De NLBB wilde graag weten hoe haar braillelezers - in 2006 was de uitleenfunctie nog niet overgedragen aan het Loket aangepast-lezen, vereniging en bibliotheek waren nog één. red. - dachten over de aangekondigde integratie van de aangepaste dienstverlening in het openbaar bibliotheekwerk. Met de verkregen kennis en inzichten zou de NLBB enerzijds de leesbelangen van haar leden kunnen inbrengen in het overleg met het Ministerie van OCW en de Vereniging van Openbare Bibliotheken met betrekking tot de toekomst van de dienstverlening in braille. Anderzijds zouden de verkregen onderzoeksgegevens de basis vormen van het braillebeleid van de NLBB, waarop de leden van de NLBB via dit onderzoek invloed konden uitoefenen. Wensdroom en nachtmerrieDe braillelezers kregen de uitnodiging in de vorm van twee dromen aan te geven hoe de dienstverlening in de aangepaste leesvorm van braille volgens hen idealiter inhoud en vorm zou kunnen krijgen (het wensdroomscenario) en wat mag er volgens hen absoluut niet mag gebeuren met de dienstverlening aan braillelezers in het kader van het nieuwe bibliotheekbeleid van OCW (het nachtmerriescenario). Daarbij gaf de NLBB expliciet aan, dat de braillelezers geheel vrij waren om te schrijven wat ze wilden: ‘Al uw eigen wensen, opmerkingen, suggesties, tips en zelfs zaken waarvan u zich afvraagt of het wel mogelijk is, de NLBB wil het graag van u weten!’ De braillelezers kregen een maand (mei 2006) de tijd om hun reactie te ‘dromen’. Zij konden hun verhalen opschrijven en inzenden in de eigen leesvorm van braille of digitaal per e-mail. Op het verzoek kwamen 13 reacties binnen, 3 ceçogrammen en 10 reacties per e-mail. Het brailleonderzoek werd in twee delen uitgevoerd. In de eerste fase werd vooral gekeken naar de inhoudelijke reacties die de dromen opleverden. De verkregen inzichten uit het onderzoeksmateriaal van de eerste fase vormden de basis voor de tweede fase van het brailleonderzoek, dat op 14 september 2006 werd gehouden. Daarin werden de gegevens van de eerste fase van het onderzoek besproken met enkele sleutelfiguren uit de brailledienstverlening van de NLBB en vertegenwoordigers uit het openbaar bibliotheekwerk. Dit tweede deel van het onderzoek wordt in het volgende NLBB-bulletin gepubliceerd. Eerste fase van het onderzoekDe ingezonden reacties werden via een bepaalde onderzoeksmethode onderzocht en bewerkt. Uit de analyse van het onderzoeksmateriaal kwamen kenmerkende brailleonderwerpen naar voren die via de methodiek van de inhoudsanalyse geclusterd werden tot de volgende zes braillethema’s, die in hun onderlinge samenhang de brailledienstverlening vanuit het gebruikersperspectief beschrijven:
Citaten uit de dromenDe dromen uit de eerste fase van het brailleonderzoek leverden ook tal van belangwekkende citaten op die verwijzen naar een kenmerk of eigenschap van de brailledienstverlening en/of het openbare bibliotheekwerk. Deze citaten werden verzameld ten behoeve van de tweede fase van het brailleonderzoek. Hieronder worden de (geanonimiseerde) citaten uit het onderzoeksmateriaal weergegeven, omdat ze veel waardevolle kennis en inzichten bevatten. Citaten over braille in openbare bibliotheken:
‘
‘
‘
‘
‘
‘ Citaten over braille:
‘
‘
‘
‘
‘
‘
‘
‘
‘
‘
‘
‘
‘
‘
‘
‘ Conclusies eerste faseVanuit de reacties van de braillelezers uit de eerste fase van het brailleonderzoek in het kader van het integratieperspectief met het openbare bibliotheekwerk kon de NLBB voor haar beleidsvorming en belangenbehartiging vier conclusies trekken. De eerste conclusie die direct in het oog sprong was dat uit sommige reacties duidelijk bleek, dat er sprake was van onjuiste beeldvorming over het nieuwe bibliotheekbeleid van OCW. Wellicht was dit een gevolg van het feit dat de toekomst van het braillelezen niet was uitgewerkt in de Beleidsbrief van OCW. Maar ook in het informele circuit van de Voorziening zongen tal van geruchten rond. Sommige braillelezers dachten zelfs, dat ze de (omvangrijke lading) brailleboeken moesten ophalen bij de openbare bibliotheek in hun woonplaats. Deze onjuiste beeldvorming leverde de volgende citaten op:
‘
‘ De tweede conclusie uit de verwerking van de onderzoeksgegevens was, dat het beleid van OCW vooraf beter gecommuniceerd had moeten worden met de doelgroep van braillelezers om onnodige foutieve beeldvorming te voorkomen. Op basis van de tekst van de Beleidsbrief van OCW waren de meeste geruchten wel te ontzenuwen, maar in de Lectuurvoorziening bleven sommige geruchten zeer hardnekkig rondzingen. De derde conclusie tot slot was, dat de braillelezers naast bedreigingen óók veel kansen zien in het nieuwe bibliotheekbeleid van OCW. Zij spoorden de NLBB nadrukkelijk aan die kansen in het belang van hun brailledienstverlening te benutten. Deze kansen zijn in de tweede fase van het brailleonderzoek verder uitgewerkt. De laatste conclusie was dat citaten geven een helder beeld van de vragen die bij braillelezers leefden en leven, omdat elke verandering in het bibliotheekbeleid rechtstreeks ingrijpt in hun eigen leesvorm en daarmee ook hun identiteit als braillelezer raakt. Deze kennis en inzichten zijn door de NLBB ingebracht in het beleid en hebben mede geleid tot de belangrijke beslissing, dat de gebruikers van de aangepaste dienstverlening zelf kunnen bepalen waar ze willen lezen: bij het nieuwe Loket aangepast-lezen of - als dat in de nabije toekomst mogelijk wordt - de lokale openbare bibliotheek. Een belangrijke constatering die niet onvermeld mag blijven is, dat in veel reacties verwezen werd naar het belang van het brailleschrift in relatie tot de eigen identiteit van braillelezers en hun taalkundige ontwikkeling mede met het oog op culturele, educatieve en recreatieve activiteiten. Zes braillethema’sUit de eerste fase van het onderzoek kwamen zes braillethema’s naar voren: collectie, dienstverlening, productie en kwaliteit, gebruikersinbreng, budget, technologie en innovatie. In dit tweede deel van het brailleonderzoek worden deze thema’s verder uitgediept in de vorm van een dialogisch gesprek. Hiervoor werden de braillelezers Aad Leeflang, Hans Smit en Loek Meijer op persoonlijke titel uitgenodigd, aangevuld met de dienstverleners van de NLBB (Charlotte Eversteijn-Bär en Simone Davis) en enkele vertegenwoordigers uit het openbaar bibliotheekwerk. Met de resultaten van de eerste fase van het brailleonderzoek: dromen in braille, werd het gesprek geopend. Daarbij vormden de zes braillethema’s de agenda van de bijeenkomst. De braillelezers gaven aan de resultaten van de eerste fase van het interventieonderzoek met instemming te hebben gelezen. Zij herkenden zich in de resultaten van de inhoudsanalyse en het beeld dat de citatenreeksen opriepen van zowel het braillelezen als over het openbaar bibliotheekwerk. Ook konden ze zich geheel vinden in de conclusies van de eerste fase van de interventie. De NLBB-ers reageerden eveneens instemmend op de resultaten van de eerste fase van het onderzoek. De toekomstige dienstverleners gaven aan de dienstverlening van de Voorziening niet te kennen en stelden geregeld vragen aan de braillelezers en de NLBB-ers voor meer inzicht en begrip. Daarbij gaven de vertegenwoordigers uit het openbaar bibliotheekwerk regelmatig aan hoe de toekomstige dienstverleners vanuit de optiek van de dienstverlening van het openbare bibliotheekwerk aankeken tegen de Beleidsbrief van OCW en de specifieke dienstverlening van de blindenbibliotheken. Daaruit ontstond een verrassend open dynamiek tussen met name de braillelezers en vertegenwoordigers van het openbare bibliotheekwerk. Conclusies van het NLBB-onderzoek‘Wat vinden de NLBB-braillelezers van de Beleidsbrief van OCW gericht op de integratie van het blindenbibliotheekwerk in het openbare bibliotheekwerk en hoe kan de aangepaste bibliothecaire dienstverlening vanuit het gebruikersperspectief van braillelezers volgens hun opvattingen inhoud en vorm krijgen?’ Het antwoord op het eerste gedeelte van de onderzoeksvraag blijkt na afloop van de bijeenkomst eenvoudig te beantwoorden te zijn. Het woord ‘integratie’ in de Beleidsbrief van het Ministerie van OCW blijkt in communicatief opzicht geen eenduidige formulering te zijn, waardoor bij de diverse belanghebbenden, met name bij de braillelezers, bepaalde beelden werden opgeroepen die in het vorige NLBB-Bulletin te herlezen zijn. De vertegenwoordigers van het openbaar bibliotheekwerk maakten de braillelezers duidelijk, dat het stelsel van openbare bibliotheken alle Nederlanders wil bedienen, inclusief de doelgroep van blinden en slechtzienden. Daarom hebben zij geen principiële bezwaren tegen de integratie van de dienstverlening van de blindenbibliotheken in het stelsel van openbare bibliotheken. Dit betekent volgens hen nog niet, dat de specifieke dienstverlening voor blinden en slechtzienden, met name de brailledienstverlening, in het plaatselijke bibliotheekwerk kan worden geïntegreerd. Daarvoor missen lokale bibliotheken niet alleen de noodzakelijke kennis en ervaring, maar ook de mensen, middelen en mogelijkheden. Daarom wordt de term ‘integratie’ uit de Beleidsbrief van OCW door de Vereniging van Openbare Biblliotheken vervangen door het begrip: ‘samenwerking’ en krijgt het Operationeel Plan de titel: Zicht op Samenwerking. De NLBB-ers gaven als huidige dienstverleners aan, dat zij garant willen blijven staan voor een hoogwaardige en betrouwbare brailledienstverlening. Of dit nu binnen een eigen blindenbibliotheekbestel plaatsvindt of binnen het stelsel van openbare bibliotheken is voor hen secundair. Primair gaat het om het behoud van de kwaliteit van de brailledienstverlening, die zich op een vraaggestuurde en innovatieve wijze moet kunnen blijven ontwikkelingen. De vraag naar verdere beleidsontwikkeling en strategiebepaling is voor hen een zaak van bestuur en directie, waarin zij veel vertrouwen hebben. De braillelezers toonden zich over het algemeen tevreden met de dienstverlening van de blindenbibliotheken in het algemeen en die van de NLBB in het bijzonder. Het was namelijk de Vereniging NLBB die dit initiatief ontplooide voor de braillelezers, nadat de NLBB de afgelopen twee jaar de nationale braillecollectie met 1000 titels had uitgebreid. Ook gaven de braillelezers aan, dat het beleid van het Ministerie van OCW door hen meer ‘politiek’ dan ‘inhoudelijk’ werd ervaren. Ook gaven ze aan, dat door deze interventiebijeenkomst en de constructieve toon van het dialogisch gesprek, zij meer vertrouwen kregen in de werkwijze van het openbaar bibliotheekwerk. Als in het stelsel van openbare bibliotheken dezelfde kwaliteit van dienstverlening of meer kon worden geboden dan nu door de NLBB wordt verleend, dan zou er volgens de inschatting van de sleutelfiguren uit de brailledienstverlening weinig protest komen van de braillelezers. Daarbij verwezen ze naar de aankondiging van een landelijk loket dat bij een grote openbare bibliotheek zou worden ondergebracht, waarbij zij zich afvroegen, waarom de Vereniging NLBB niet binnen het stelsel van openbare bibliotheken de aangepaste bibliothecaire dienstverlening zou kunnen blijven verzorgen? (Inmiddels is de bibliotheek van de NLBB de basis geworden van het Loket aangepast-lezen, waaraan de klanten en medewerkers van de andere blindenbibliotheken zijn toegevoegd). Aanbevelingen voor een vraaggestuurde brailledienstverleningDeze aanbevelingen zijn ontleend aan het interventieonderzoek van de Vereniging NLBB en volgen de uitkomsten en presentatie ervan aan de hand van 6 braillethema’s, die inhoud en vorm geven aan een nieuw ontwerp voor een vraaggestuurde brailledienstverlening.: 1. Collectie De collectie vormt het hart van de brailledienstverlening. In de huidige afspraken met de subsidiegevers OCW en VOB worden jaarlijks 450 nieuwe titels toegevoegd aan de collectie. Uit het NLBB-interventieonderzoek blijkt dat braillelezers de volgende kanttekeningen plaatsen bij het huidige beleid ten aanzien van de brailledienstverlening:
Zij doen de volgende aanbevelingen ten aanzien van de braillecollectie:
2. Dienstverlening Uit het brailleonderzoek blijkt dat de braillelezers over de dienstverlening tevreden zijn. Zij geven aan dat:
In aanvulling op bestaande brailledienstverlening geven braillelezers voor de verdere optimalisering van de dienstverlening de volgende aanbevelingen mede gericht op de bevordering van hun onafhankelijkheid en vergroting van de zelfredzaamheid van blinden en zeer slechtzienden: Een online-bestelmogelijkheid via de online-braillecatalogus zodat braillelezers via internet en de website onafhankelijk van tijd, plaats en openingstijden hun boeken kunnen aanvragen.
3. Productie en kwaliteit Bij dit thema plaatsen braillelezers kritische kanttekeningen bij de productie en kwaliteit van brailleboeken:
De braillelezers uit het onderzoek doen de volgende aanbevelingen ter verbetering van het productieproces en de kwaliteit van de brailleboeken:
4. Gebruikersinbreng Dit thema is in een vraaggestuurde brailledienstverlening essentieel, waarbij een evenwicht moet worden gevonden tussen de dienstverlening in braille (middelen, mogelijkheden en mensen) en de wensen of behoeften van (individuele) gebruikers van deze dienstverlening. In het algemeen plaatsen braillelezers de volgende kanttekeningen bij de gebruikersinbreng:
De gebruikers van de brailledienstverlening doen de volgende aanbevelingen ter verhoging van de invloed van gebruikersinbreng:
5. Budget De door de subsidiegever beschikbare financiële middelen bepalen als randvoorwaarde de bandbreedte en speelveld van de brailledienstverlening. Daarbij is een eigen bijdrage van braillelezers voor bepaalde (individuele) wensen of meerwerk bespreekbaar. Ten aanzien van de financiële kaders van de brailledienstverlening geven de braillelezers het volgende aan: De Beleidsbrief van het Ministerie van OCW doet geen uitspraken over het braillebudget; men maakt zich zorgen over de marginalisering van het braillebudget door de overheid.
De sleutelfiguren uit de brailledoelgroep doen daarbij de volgende aanbevelingen:
6. Technologie en innovatie De mogelijkheid van technologische vernieuwingen voor mensen met een visuele handicap maken innovaties in de brailledienstverlening mogelijk die ten goede komen aan de onafhankelijkheid en zelfstandigheid van braillelezers. Ten aanzien van de huidige brailledienstverlening merken de braillelezers het volgende op:
De braillelezers uit het NLBB-interventieonderzoek doen de volgende aanbevelingen:
Bijzondere dank van de NLBB gaat uit naar de volgende leden die hun medewerking hebben verleend aan het brailleonderzoek: E. van Eck, J.M. Harperink-Kroese, M. Kemper-Buiskool, N. van der Kolk, L. de Lange, C.G. de Leeuw-van Kuilenburg, A.N. Leeflang, C. Lurel, J.A. Matheeuwissen, L.F. Meijer, W. Reuselaars, H. Smit, I.P.M. Tacke en A.G.M. van Uum. |
|||

