Lettergrootte:

Brailleonderzoek

Citaten uit de dromen. De dromen uit de eerste fase van het brailleonderzoek leverden ook tal van belangwekkende citaten op die verwijzen naar een kenmerk of eigenschap van de brailledienstverlening en/of het openbare bibliotheekwerk. Deze citaten werden verzameld ten behoeve van de tweede fase van het brailleonderzoek. Hieronder worden de (geanonimiseerde) citaten uit het onderzoeksmateriaal weergegeven, omdat ze veel waardevolle kennis en inzichten bevatten.

Citaten over openbare bibliotheken

‘Het is dus voor mij van het allergrootste belang, dat de lectuurvoorziening ook in de toekomst, zoals tot nu toe door de blindenbibliotheken gegarandeerd wordt, het liefst vanuit een centrale instantie.’

‘Als de bibliotheken voor aangepaste lectuurvoorziening gaan integreren in het openbare bibliotheekwezen, zal de minderheidspositie van braillelezers aanzienlijk verergeren.’

‘Nachtmerries zal ik er (nog) niet van krijgen, maar ik maak mij als braillelezer echt wel zorgen wanneer het nieuwe beleid van de overheid er toe leidt, dat de brailledienstverlening wordt ondergebracht bij de openbare bibliotheken. Waartoe deze versnippering en verspilling moet leiden, wil ik mij even maar liever niet voorstellen! Zeker is dat een kleine en kwetsbare groep daar (blijvend) het slachtoffer van wordt.’

‘Kortom, ik vind dit het zoveelste achterlijke besluit van deze regering. […] Ik zie namelijk geen enkel goed argument in het voordeel van de visueel gehandicapten.’

‘Laat het braillewerk over aan de blindenbibliotheken. Die hebben de kennis in huis en laat Medy van der Laan haar verstand gebruiken en de VOB niet opzadelen met braillewerk. Daar hebben zij allemaal geen tijd voor en ze weten daar niks van.’

‘NLBB en zuster-bibliotheken, stel uw meer dan 100 jaar lange deskundigheid en ervaring m.b.t. het zo specifieke schrift, dat het braille toch is, ten dienste van de komende wijzigingen naar het openbare bibliotheekwerk en tracht commercie op dit gebied uit te bannen.’

‘Maar het moet ook mogelijk zijn voor wie dat wil, dat je bij een gewone bibliotheek terecht kunt voor én audio én braille'.

‘Dat de NLBB een verlengde wordt van de VOB. De NLBB als extra loket van de VOB. Weet een VOB-bibliothecaris iets niet dan kan hij ook naar de NLBB.’

Citaten over braille‘Braille op papier, geeft mij nog steeds het meeste plezier.’

‘Wat is de overeenkomst tussen brailleschrift en benzine? Ze zijn allebei onmisbaar. Als het niet leverbaar is, sta je stil. Ik heb altijd geleerd dat stilstand leidt tot achteruitgang.’

‘Ik ben visueel ingesteld; daar bedoel ik mee dat alles wat via mijn vingers naar mijn hersens gaat ook het best beklijft.’

‘Het brailleschrift opent voor mij deuren, die anders gesloten zouden blijven.’

‘Ik vind het heel jammer, dat er aan ons braillelezers zelf niets is gevraagd.’

‘In het zogenaamde computertijdperk mag de positie van het braille niet ondermijnd worden en/of verzwakken.’

‘Braille heeft voor mij een onmisbare functie als bron van informatie en ontspanning.’

‘Voor mij gaat er niets boven het lezen van lectuur in braille.’

‘Ook ik luister graag naar gesproken boeken, maar ik vind het lezen van braille nu eenmaal praktischer.’

‘De overheid kan niet bepalen wat voor wie belangrijk is, en wat niet.’

‘Ik heb een schrijnende behoefte aan lezen, lezen met mijn vingers, zodat ik aan woorden die ik voel persoonlijk inhoud kan geven.’

‘Binnen de doelgroep zijn er dan ook al stemmen die beweren dat braille geen toekomst meer heeft. Deze stemmen komen uiteraard van diegenen die zelf geen braille lezen.’

‘Mijn nachtmerrie is dat braille lezen zo uitzonderlijk wordt, dat producenten het de moeite niet meer vinden om aan de behoefte hierin tegemoet te komen. Er wordt dan of in het geheel niet meer geproduceerd, of de braillelezers moeten zich onevenredig veel inspanningen getroosten om aan braillelectuur te komen.’

‘Het woordbeeld is voor braillelezers erg belangrijk. Het fonetisch beeld (via het Daisy-boek) kan leiden tot een eigentijdse vorm van analfabetisme.’

‘Er is geen keuringsdienst meer die besluit of een boek wordt omgezet in gesproken vorm of braille.’

‘Mijn ergste voorstelling is dat de Nederlandse overheid de productie van braille te duur vindt, en dat daardoor helemaal niets meer in braille omgezet wordt.’

‘Braille, een basisvoorziening.’

‘Braillelezen zorgt voor zelfstandigheid en zelfredzaamheid.’

‘Gesproken boeken en synthetische spraak leiden tot isolement. Ik vind het fijn om gewoon in de huiskamer een brailleboek te lezen terwijl er een cd opstaat, een periodiek door te nemen, terwijl mijn vrouw een film kijkt, een boek of een ritselende krant leest.’

‘Braille is zogezegd mijn eerste taal.’

‘Ik vind het treurig dat mensen die op latere leeftijd oogproblemen krijgen, nauwelijks nog de kans krijgen braille te leren. Wat mij betreft een ongewenste analfabetisering.’

‘Ik hoor niet tot die mensen die vinden dat alle informatie in braille beschikbaar zou moeten zijn. Dat is niet realistisch en in het digitale tijdperk ook helemaal niet meer nodig.’

‘Kranten en tijdschriften in braille vind ik geen noodzaak. Daarvoor is Daisy (de gesproken leesvorm) een prima medium. Maar als het om boeken gaat, om lekker lezen, dan verslaat braille wat mij betreft nog altijd het audiolezen.’

‘Als ik een boek in de catalogus zie staan dat zowel op Daisy als in braille is geproduceerd, dan bestel ik de brailleversie; uit principe. […]. Men mocht eens denken dat er geen belangstelling voor is!’

‘De computer met spraak en de Daisy-speler zouden het werken met braille nooit helemaal kunnen vervangen. Voor mij een nachtmerrie.’

‘Het aantal braillelezers neemt door verbetering van medische preventie af. Als er minder braille wordt gelezen zou braille minder legitiem kunnen worden. Dit is een zorgpunt.’

Conclusies eerste fase

Vanuit de reacties van de braillelezers uit de eerste fase van het brailleonderzoek in het kader van het integratieperspectief met het openbare bibliotheekwerk kon de NLBB voor haar beleidsvorming en belangenbehartiging vier conclusies trekken. De eerste conclusie die direct in het oog sprong was dat uit sommige reacties duidelijk bleek, dat er sprake was van onjuiste beeldvorming over het nieuwe bibliotheekbeleid van OCW. Wellicht was dit een gevolg van het feit dat de toekomst van het braillelezen niet was uitgewerkt in de Beleidsbrief van OCW. Maar ook in het informele circuit van de Voorziening zongen tal van geruchten rond. Sommige braillelezers dachten zelfs, dat ze de (omvangrijke lading) brailleboeken moesten ophalen bij de openbare bibliotheek in hun woonplaats. Deze onjuiste beeldvorming leverde de volgende citaten op:

‘Je moet de brailleboeken in één keer meenemen. Dus trekken tot verbazing van politie en AIVD veel blinden met muilezels of kamelen door stad of dorp, om al die banden te kunnen vervoeren.’

‘Ik moet mij een breuk sjouwen aan de brailleboeken, omdat ik die in de binnenstad van Apeldoorn met de bus moet gaan oppikken. Dit zou overigens betekenen dat ik iemand moet inschakelen om mij bij het halen van de boeken te begeleiden. Ik kan moeilijk mijn geleidehond een rugzakje omdoen met boeken en mijzelf ook. Hoe kom ik dan thuis? De fysiotherapeut krijgt dan wel extra werk aan verkrampte en overbelaste spieren. Vergoedt het Ministerie van OCW dit extra kostenplaatje?’

‘Maar hoe zit het mensen die in een klein dorp wonen waar geen bibliotheek is. Zij zullen grote stukken moeten gaan reizen voor hun boeken! Vergoedt de overheid hun taxikosten?’

De tweede conclusie uit de verwerking van de onderzoeksgegevens was, dat het beleid van OCW vooraf beter gecommuniceerd had moeten worden met de doelgroep van braillelezers om onnodige foutieve beeldvorming te voorkomen. Op basis van de tekst van de Beleidsbrief van OCW waren de meeste geruchten wel te ontzenuwen, maar in de Lectuurvoorziening bleven sommige geruchten zeer hardnekkig rondzingen. De derde conclusie tot slot was, dat de braillelezers naast bedreigingen óók veel kansen zien in het nieuwe bibliotheekbeleid van OCW. Zij spoorden de NLBB nadrukkelijk aan die kansen in het belang van hun brailledienstverlening te benutten. Deze kansen zijn in de tweede fase van het brailleonderzoek verder uitgewerkt.
De laatste conclusie was dat citaten een helder beeld geven van de vragen die bij braillelezers leefden en leven, omdat elke verandering in het bibliotheekbeleid rechtstreeks ingrijpt in hun eigen leesvorm en daarmee ook hun identiteit als braillelezer raakt.

Deze kennis en inzichten zijn door de NLBB ingebracht in het beleid en hebben mede geleid tot de belangrijke beslissing, dat de gebruikers van de aangepaste dienstverlening zelf kunnen bepalen waar ze willen lezen: bij het nieuwe Loket aangepast-lezen of - als dat in de nabije toekomst mogelijk wordt - de lokale openbare bibliotheek.

Een belangrijke constatering die niet onvermeld mag blijven is, dat in veel reacties verwezen werd naar het belang van het brailleschrift in relatie tot de eigen identiteit van braillelezers en hun taalkundige ontwikkeling mede met het oog op culturele, educatieve en recreatieve activiteiten. Ook deze aspecten dienen behouden te blijven in een kwalitatief hoogstaande brailledienstverlening, die de komende maanden wordt uitgewerkt bij het Loket aangepast-lezen.

BRAILLEONDERZOEK NLBB, deel 2

In het vorige NLBB-Bulletin is het eerste deel van het onderzoek van de NLBB onder haar braillelezers gepubliceerd over de brailledienstverlening in het kader van de Beleidsbrief van het Ministerie van OCW ‘Bibliotheekvoorziening voor blinden en slechtzienden 2006-2008’. In deze beleidsnota werd de integratie van het blindenbibliotheekwerk in het openbaar bibliotheekwerk aangekondigd, maar de toekomst van het braillelezen werd niet uitgewerkt. Daarom heeft de NLBB in 2006 haar leden gevraagd in de vorm van twee dromen: een wensdroom en een nachtmerrie, aan te geven hoe volgens hen de brailledienstverlening idealiter inhoud en vorm zou moeten krijgen. Deze onderzoeksgegevens zullen worden gebruikt als basis voor een nieuw ontwerp van een vraaggestuurde brailledienstverlening.

Zes braillethema’s

Uit de eerste fase van het onderzoek kwamen zes braillethema’s naar voren: collectie, dienstverlening, productie en kwaliteit, gebruikersinbreng, budget, technologie en innovatie. In dit tweede deel van het brailleonderzoek werden deze thema’s verder uitgediept in de vorm van een dialogisch gesprek. Hiervoor werden de braillelezers Aad Leeflang, Hans Smit en Loek Meijer op persoonlijke titel uitgenodigd, aangevuld met de dienstverleners van de NLBB (Charlotte Eversteijn-Bär en Simone Davis) en enkele vertegenwoordigers uit het openbaar bibliotheekwerk. Met de resultaten van de eerste fase van het onderzoek: ‘Dromen in braille’, werd het gesprek geopend. Daarbij vormden de zes braillethema’s de agenda van de bijeenkomst. De braillelezers van de NLBB gaven aan de resultaten van de eerste fase van het interventieonderzoek met instemming te hebben gelezen. Zij herkenden zich in de resultaten van de inhoudsanalyse en het beeld dat de citatenreeksen opriepen van zowel het braillelezen als over het openbaar bibliotheekwerk. Ook konden ze zich geheel vinden in de conclusies van de eerste fase van de interventie. De NLBB-ers reageerden eveneens instemmend op de resultaten van de eerste fase van het onderzoek. De toekomstige dienstverleners gaven aan de dienstverlening van de blindenbibliotheken niet te kennen en stelden geregeld vragen aan de braillelezers en de NLBB-ers voor meer inzicht en begrip. Daarbij gaven de vertegenwoordigers uit het bibliotheekwerk regelmatig aan hoe zij vanuit de optiek van de dienstverlening van het openbaar bibliotheekwerk aankeken tegen de Beleidsbrief van OCW en de specifieke dienstverlening van de blindenbibliotheken. Daaruit ontstond een verrassend open dialoog tussen met name de braillelezers en vertegenwoordigers van het openbaar bibliotheekwerk.


Conclusies van het NLBB-onderzoek

‘Wat vinden de NLBB-braillelezers van de Beleidsbrief van OCW gericht op de integratie van het blindenbibliotheekwerk in het openbare bibliotheekwerk en hoe kan de aangepaste bibliothecaire dienstverlening vanuit het gebruikersperspectief van braillelezers volgens hun opvattingen inhoud en vorm krijgen?’

Het antwoord op het eerste gedeelte van de onderzoeksvraag blijkt na afloop van de bijeenkomst eenvoudig te beantwoorden te zijn. Het woord ‘integratie’ in de Beleidsbrief van het Ministerie van OCW blijkt geen eenduidige formulering te zijn, waardoor bij diverse belanghebbenden, met name bij de braillelezers, bepaalde beelden werden opgeroepen die in het vorige NLBB-Bulletin te herlezen zijn. De vertegenwoordigers van het openbaar bibliotheekwerk maakten de braillelezers duidelijk, dat het stelsel van openbare bibliotheken alle Nederlanders wil bedienen, inclusief de doelgroep van blinden en slechtzienden. Daarom hebben zij geen principiële bezwaren tegen de integratie van de dienstverlening van de blindenbibliotheken in het stelsel van openbare bibliotheken. Dit betekent volgens hen nog niet, dat de specifieke dienstverlening voor blinden en slechtzienden, en met name de brailledienstverlening, in het plaatselijk bibliotheekwerk kan worden geïntegreerd. Daarvoor missen lokale bibliotheken niet alleen de noodzakelijke kennis en ervaring, maar ook de mensen, middelen en mogelijkheden. Daarom wordt de term ‘integratie’ uit de Beleidsbrief van OCW door de Vereniging van Openbare Bibliotheken vervangen door het begrip: ‘samenwerking’ en krijgt het Operationeel Plan de titel: Zicht op Samenwerking.

De NLBB-ers gaven als huidige dienstverleners aan, dat zij garant wilden blijven staan voor een hoogwaardige en betrouwbare brailledienstverlening. Of dit nu binnen een eigen blindenbibliotheekbestel plaatsvindt of binnen het stelsel van openbare bibliotheken was voor hen secundair. Primair gaat het om het behoud van de kwaliteit van de brailledienstverlening, die zich op een vraaggestuurde en innovatieve wijze moet kunnen blijven ontwikkelingen. De vraag naar verdere beleidsontwikkeling en strategiebepaling is voor hen een zaak van bestuur en directie, waarin zij veel vertrouwen hebben. De braillelezers toonden zich tevreden met de dienstverlening van de blindenbibliotheken in het algemeen en die van de NLBB in het bijzonder. Het was namelijk de Vereniging NLBB die dit initiatief ontplooide voor de braillelezers, nadat de NLBB de afgelopen twee jaar de nationale braillecollectie met 1000 titels had uitgebreid. Ook gaven de braillelezers aan, dat het beleid van het Ministerie van OCW door hen meer ‘politiek’ dan ‘inhoudelijk’ werd ervaren. Ook gaven ze aan, dat door deze interventiebijeenkomst en de constructieve toon van het dialogisch gesprek, zij meer vertrouwen kregen in de werkwijze van het openbaar bibliotheekwerk. Daarbij verwezen ze naar de aankondiging van een landelijk loket dat bij een grote openbare bibliotheek zou worden ondergebracht, waarbij zij zich afvroegen, waarom de Vereniging NLBB niet binnen het stelsel van openbare bibliotheken de aangepaste bibliothecaire dienstverlening zou kunnen blijven verzorgen? Inmiddels is de bibliotheek van de NLBB de basis geworden van het Loket aangepast-lezen, waaraan de klanten en medewerkers van de andere blindenbibliotheken zijn toegevoegd.


Aanbevelingen voor een vraaggestuurde brailledienstverlening

Deze aanbevelingen zijn ontleend aan het interventieonderzoek van de Vereniging NLBB en volgen de uitkomsten en presentatie ervan aan de hand van 6 braillethema’s, die inhoud en vorm geven aan een nieuw ontwerp voor een vraaggestuurde brailledienstverlening.

1. Collectie


De collectie vormt het hart van de brailledienstverlening. In de huidige afspraken met de subsidiegevers OCW en VOB worden jaarlijks 450 nieuwe titels toegevoegd aan de collectie. Uit het NLBB-interventieonderzoek blijkt dat braillelezers de volgende kanttekeningen plaatsen bij het huidige beleid ten aanzien van de brailledienstverlening:

  • Braillelezers zijn te afhankelijk van de boekenkeuze van de collectievormers.
  • Er is geen ruimte voor maatwerk.
  • Het aantal van 450 nieuwe titels voor de jaarlijkse aanwas is te weinig en mag niet gerelateerd worden aan het aantal braillelezers.
  • De ‘snuffelfunctie’ zoals in de openbare bibliotheek en boekhandel ontbreekt.
  • Er zijn onvoldoende digitale bestanden van uitgevers beschikbaar.

De braillelezers doen de volgende aanbevelingen ten aanzien van de braillecollectie:

  • Braillelezers moeten meer invloed kunnen uitoefenen op het proces van collectioneren.
  • Daarbij moet meer ruimte komen voor maatwerk en individuele wensen.
  • Het aantal nieuwe brailletitels dat jaarlijks wordt toegevoegd aan de collectie moet worden verhoogd en mag niet gerelateerd worden aan de grootte van de doelgroep van braillelezers.
  • Braillelezers zouden eerst een aantal bladzijden van een brailleboek moeten kunnen lezen (snuffelen), voordat zij het brailleboek bestellen. Hiermee kunnen productiekosten voor het printen van een brailleboek dat niet boeiend genoeg blijkt te zijn worden bespaard.
  • Belangrijk is om het leesgedrag en interessegebieden van braillelezers te onderzoeken met het oog op een actuele, representatieve en pluriforme braillecollectie die aansluit op de leesprofielen van de doelgroep.
2. Dienstverlening

Uit het brailleonderzoek blijkt dat de braillelezers over de dienstverlening tevreden zijn. Zij geven aan dat:

  • Klantencontact goede informatieservice en voorlichting biedt.
  • Catalogi en aanwinstenlijsten zijn goed toegankelijk.
  • Het aanvragen van brailleboeken via telefoon en e-mail loopt goed.
  • Een landelijk loket voor de brailledienstverlening moet blijven.
  • Het gratis postleenverkeer moet blijven.

In aanvulling op de bestaande brailledienstverlening geven braillelezers voor de optimalisering van de dienstverlening de volgende aanbevelingen mede gericht op de bevordering van hun onafhankelijkheid en vergroting van de zelfredzaamheid van blinden en zeer slechtzienden:

  • Een online-bestelmogelijkheid via de online-braillecatalogus zodat braillelezers via internet en de website onafhankelijk van tijd, plaats en openingstijden hun boeken kunnen aanvragen.
  • Voor braillelezers die geen computer hebben een voice-response bestelmogelijkheid buiten de openingsuren van het landelijk Loket.
  • Braillelezers moeten zelf kunnen kiezen hoe zij braille kunnen lezen: op papier of digitaal met de brailleleesregel.
  • Informatie over de voorselectie van nog niet geproduceerde nieuwe titels met de mogelijkheid tot reserveren van deze titels.
3. Productie en kwaliteit

Bij dit thema plaatsen braillelezers kritische kanttekeningen bij de productie en kwaliteit van brailleboeken:

  • Brailleboeken bevatten veel tekortkomingen die gewone boeken niet hebben, zoals scanfouten en slechte lay-out.
  • Inadequate controle op eindresultaat.
  • Trage productie van brailleboeken.
  • Capaciteitsproblemen bij de producent.
  • Ingewikkeld en kostbaar productieproces.

De braillelezers uit het onderzoek doen de volgende aanbevelingen ter verbetering van het productieproces en de kwaliteit van de brailleboeken:

  • Om de snelheid van de productie van brailletitels te bevorderen is rechtstreeks toegang tot de digitale boekbestanden van de uitgever gewenst.
  • De functie van braillecorrector weer in ere herstellen.
  • Instellen van klachtenmodule waarin de klacht van registratie tot en met de verbetering kan worden gevolgd en afgehandeld.
  • Geen vermelding meer van de zwartdrukpagina en symbolenlijst.
4. Gebruikersinbreng

Dit thema is in een vraaggestuurde brailledienstverlening essentieel, waarbij een evenwicht moet worden gevonden tussen de dienstverlening in braille (middelen, mogelijkheden en mensen) en de wensen of behoeften van (individuele) gebruikers van deze dienstverlening.

In het algemeen plaatsen braillelezers de volgende kanttekeningen bij de gebruikersinbreng:

  • Gebruikers voelen zich te weinig betrokken bij hun eigen dienstverlening; er wordt voor hen en niet met hen beslist over de brailledienstverlening.
  • Men maakt zich zorgen over de afhankelijkheidspositie van braillelezers ten opzichte van het lezen in de aangepaste leesvorm van het brailleschrift.

De gebruikers van de brailledienstverlening doen de volgende aanbevelingen ter verhoging van de invloed van gebruikersinbreng:

  • Instellen van een brailleraad, met name voor het kwaliteitsaspect en de collectievorming waarbij meer gebruik gemaakt kan worden van ervaringen en inzichten van de gebruikers.
  • Houden van tevredenheidonderzoeken onder de gebruikers van de brailledienstverlening.
  • Meer sturing van gebruikers op klachtafhandeling van de braillekwaliteit.
5. Budget

De door de subsidiegever beschikbare financiële middelen bepalen als randvoorwaarde de bandbreedte en speelveld van de brailledienstverlening. Daarbij is een eigen bijdrage van braillelezers voor bepaalde individuele wensen als meerwerk bespreekbaar. Ten aanzien van de financiële kaders van de brailledienstverlening geven de braillelezers het volgende aan:

  • De Beleidsbrief van OCW doet geen uitspraken over het braillebudget; men maakt zich zorgen over de marginalisering van het braillebudget.
  • Het huidige budget biedt weinig ruimte tot uitbreiding van de aanwas nieuwe titels.
  • Er is weinig budget over de controle van de braillekwaliteit.
  • Braillepapier voor persoonlijk gebruik is duur.

De sleutelfiguren uit de brailledoelgroep doen daarbij de volgende aanbevelingen:

  • Het doelmatiger en doelgerichter inrichten van de bedrijfsvoering en het productieproces van brailleboeken
  • Zoeken naar nieuwe en/of additionele geldstromen en financiers
  • Het mogelijk maken dat braillelezers het brailleboek in een fraaie uitgave tegen dezelfde prijs als de zwartdruk in bezit kunnen krijgen.
  • Braillelezers zouden een eigen bijdrage of meerprijs kunnen betalen voor extra wensen boven op de standaard brailledienstverlening.
6. Technologie en innovatie

De mogelijkheid van technologische vernieuwingen voor mensen met een visuele handicap maken innovaties in de brailledienstverlening mogelijk die ten goede komen aan de onafhankelijkheid en zelfstandigheid van braillelezers. Ten aanzien van de huidige brailledienstverlening merken de braillelezers het volgende op:

  • Onbekendheid bij de doelgroep met sofware-programma’s om digitale bestanden te gebruiken.
  • Er zijn nog te weinig digitale bestanden beschikbaar voor braillelezers.
  • Kwaliteit van thuisscanners is niet optimaal.
  • In de thuissituatie braille printen is niet ideaal.
  • Te weinig voorlichting over de innovaties in de brailledienstverlening.

De braillelezers uit het NLBB-interventieonderzoek doen de volgende aanbevelingen:

  • Bij voorkeur willen zij de brailleboeken kant-en-klaar via het postleenverkeer thuis blijven ontvangen.
  • Daarnaast moeten braillelezers zelf kunnen kiezen of zij brailleboeken op papier of digitaal willen lezen met behulp van de brailleleesregel of spraaksynthese.
  • Een alertsysteem ontwikkelen voor nieuwe producties als attenderingsfunctie.
  • Meer voorlichting en eventueel scholing voor het gebruik van internet, hardware en software voor digitaal braillelezen.
  • Braillelezers raadplegen naslagwerken liever digitaal dan op papier.

Bijzondere dank gaat uit naar de volgende leden die hun medewerking hebben verleend aan dit onderzoek: E. van Eck, J.M. Harperink-Kroese, M. Kemper-Buiskool, N. van der Kolk, L. de Lange, C.G. de Leeuw-van Kuilenburg, A.N. Leeflang, C. Lurel, J.A. Matheeuwissen, L.F. Meijer, W. Reuselaars, H. Smit, I.P. M. Tacke en A.G.M. van Uum.

Top